Flamboyante hoogbegaafdheid of kommer & kwel

                                                                               Carl D’hondt & Hilde Van Rossen

 

In de populaire literatuur wordt hoogbegaafdheid meestal beschreven als een extreem fenomeen, extreem in twee tegenovergestelde betekenissen. Aan de ene kant wordt hoogbegaafdheid beschreven alsof het zou gaan om iets dat doordrenkt is van kommer en kwel. Aan de andere kant worden hoogbegaafde personen voorgesteld als (semi-) genieën die zonder inspanning de moeilijkste theorieën of de knapste prestaties uit hun mouw schudden.

Kommer en kwel

In deze beschrijvingen komt hoogbegaafdheid naar voor als een vergiftigd geschenk of zelfs een handicap. Hoogbegaafde personen zouden eenzame en wat bizarre figuren zijn met een groot gebrek aan sociale vaardigheden; autisme zou hen niet vreemd zijn, zij zouden zich geïsoleerd voelen of op z’n minst niet begrepen; in deze opvatting gaat hoogbegaafdheid samen met uitzonderlijkheid op andere terreinen, zoals ADHD, leerstoornissen, gedragsproblemen, slaapmoeilijkheden enz. Veel ouders van hoogbegaafde kinderen zouden leiden aan een dreigende burn-out of zouden te kampen hebben met zware huwelijksproblemen omdat de opvoeding van hun hoogbegaafd kind een te zware belasting zou leggen op hun relatie.

Spektakeltalenten

De andere extreme opvatting stelt hoogbegaafde kinderen (jongeren) voor als (semi-)genieën, die over heel veel onderwerpen veel meer afweten dan de doorsnee-volwassene. Deze kinderen zouden geboren zijn met heel veel talenten op een veelheid van terreinen en zouden in staat zijn om zonder inspanning de beste prestaties neer te zetten. Meestal wordt aangenomen dat deze talenten erfelijk zijn (de appel valt niet ver van de boom !).

Bespreking

Deze populaire beschrijvingen wijken echter sterk af van de realiteit. Hoogbegaafdheid krijg je niet mee vanaf de geboorte, maar moet ontwikkeld worden. Het traject om te evolueren naar volgroeide hoogbegaafdheid is voor ieder hoogbegaafd kind verschillend.
Sommigen volgen een haast geruisloos traject. Dit betekent dat ze op hun weg naar hoogbegaafdheid weinig moeilijkheden ondervinden. Het betekent echter niet dat alles zonder zware inspanningen en veel zelfopoffering zou gebeuren. Deze kinderen kunnen echter veel beter omgaan met de obstakels die zij thuis, op school en onder vrienden tegenkomen en hebben bovendien ook veel minder last van een dissynchrone ontwikkeling (1).
Andere kinderen volgen een veel moeilijker weg. Soms is deze met zoveel ernstige hindernissen bezaaid dat het onmogelijk lijkt om vanuit zo’n situatie zichzelf te kunnen ontplooien als hoogbegaafde persoon.
In de populaire literatuur wordt hoogbegaafdheid nog steeds gelijkgesteld met hoge intelligentie. Kinderen die zeer gemakkelijk leren, die een sterk geheugen hebben, die zich gemakkelijk kunnen uitdrukken in een rijke woordenschat, die sterk zijn in analytisch denken, die hoofd- en bijzaken perfect kunnen onderscheiden… deze kinderen worden als hoogbegaafd beschouwd. Hoogbegaafdheid  wordt aldus nog altijd versmald tot de louter cognitieve aspecten, terwijl de motivationele en emotionele eigenschappen de mist ingaan.

Typische kenmerken als gedrevenheid, doorzetting, ambitie, weigeren om op te geven, liefde voor het vak, fascinatie, verwondering, een gevoel voor richting en efficiëntie enz. ontbreken doorgaans volledig in de populaire literatuur. Deze motivationele en emotionele aspecten zijn als spectaculaire fragmenten van hoogbegaafdheid moeilijker voor het voetlicht te brengen.  Sterke cognitieve prestaties, zoals vijf talen spreken op de leeftijd van 10 jaar, spreekt meer tot de verbeelding en wordt dus vlotter vermeld in de populaire literatuur.

Het belang van het milieu in het ontwikkelen van hoogbegaafdheid komt wel vaker ter sprake. De interactie tussen milieu en individu is van cruciaal belang voor het ontwikkelen van hoogbegaafdheid. Sinds lang wordt er gezocht naar welke  milieus er het meest geschikt zijn voor hoogbegaafde kinderen.
De vraag is dan: welk gezin is er ideaal voor deze kinderen, welke opvoeding helpt deze kinderen het meest vooruit? Ook op school en in de onmiddellijke omgeving (vriendenkring) van hoogbegaafde kinderen probeert men de meest gunstige condities bloot te leggen. Deze studies zoeken naar panacees waarmee men op al deze terreinen winst zou kunnen boeken. Ook op school zoeken nogal wat didactici naar ideale verrijkingsleerstof voor “het” hoogbegaafde kind.

De rode lijn in al deze studies is de zoektocht naar factoren waarmee men de ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen kan “sturen”.

Sturen of volgen

Naar onze opvatting moeten de volwassenen niet zozeer sturen, maar wel “volgen”. Het initiatief moet van de leerling zelf komen. Het kind zoekt best zelf welke zijn momentele interesses zijn, terwijl de volwassene op een discrete wijze zoekt hoe hij/zij deze interesses kan ondersteunen en verdiepen. Voor ieder kind ligt de balans tussen sturen en volgen anders en deze balans kan sterk variëren met de leeftijd van het kind. Een kind dat bijvoorbeeld problemen heeft met discipline heeft meer behoefte aan externe sturing om uiteindelijk tot zelfsturing te kunnen doorgroeien.

Begeleiding van hoogbegaafde kinderen is fijn kantwerk waarbij men probeert om de omgeving zo goed mogelijk te laten inhaken op de momentane behoeften van het kind. Deze behoeften situeren zich op twee vlakken: inhoudelijk en persoonlijkheidsondersteunend.
Inhoudelijk betekent dat men de momentane interesses van het kind probeert te ontdekken en dat men samen met het kind (en eventueel andere betrokkenen) nagaat of men van dienst kan zijn.
Persoonlijkheidsondersteunend betekent dat men bekommerd is om de ontwikkeling van een harmonieuze persoonlijkheid, waarbij verstand, wil en hart zich in harmonie ontwikkelen.

Bepaalde persoonlijkheidsfactoren kunnen een sterk remmende invloed hebben op de ontwikkeling van talenten. Overdreven overperfectionisme, overdreven kritische ingesteldheid tegenover gezagsfiguren waardoor een permanente machtsstrijd wordt gevoed, gebrek aan zelfvertrouwen, moeilijk omgaan met frustraties, neiging tot eigengereid optreden, moeite met geduld oefenen…

Het hart van hoogbegaafdheid

De laatste jaren beleven wij spannende ontwikkelingen rond hoogbegaafdheid.
In 2005 lanceerden Donna Matthews en J.F. Foster hun paradigmawisseling dat hoogbegaafdheid herschiep van een statisch naar een dynamisch gegeven.

Daarvoor hanteerden heel veel auteurs een mystery-model van hoogbegaafdheid (een opvatting, waarbij hoogbegaafdheid wordt beschouwd als een statisch gegeven, erfelijk, door testen te detecteren (vooral IQ-testen), schools te begeleiden met aparte scholen of klassen voor hoogbegaafde leerlingen, éénmaal hoogbegaafd, altijd hoogbegaafd enz.

Nadien werd massaal overgeschakeld naar het mastery-model. In deze opvatting is hoogbegaafdheid iets dat ontwikkeld moet worden door meer te individualiseren en van dichtbij in te spelen op de momentane, specifieke leer- en begeleidingsbehoeften van ieder hoogbegaafd kind.

Geen eenheidsworst meer, geen bandwerk, maar chirurgische ingrepen a.h.w. op maat van ieder hoogbegaafd kind afzonderlijk. Metacognitieve begeleiding en stimulering van gepaste leer- en werkattitudes vormden daarbij dé sleutel bij uitstek om hoogbegaafde leerlingen succesvol te begeleiden.

De laatste jaren wordt dit dynamisch proces, dit ontwikkelingsaspect van hoogbegaafdheid steeds sterk belicht. Enkele vrij nieuwe begrippen proberen door te dringen tot de kern van deze ontwikkeling. Impliciete kennis (tacit knowledge), extracognitieve aspecten in de ontwikkeling van hoogbegaafdheid en de persoonlijke gietvorm van het denken komen daarin aan bod.

In een volgend artikel gaan wij dieper in op deze begrippen.

Toch willen we nu al een tipje van de sluier oplichten.

Innovatieve denkers

Heel veel innovatieve denkers hebben als kind nooit het gevoel gehad dat ze over grote of bijzondere talenten beschikten. De vraag of zij uitzonderlijk intelligent zijn houdt deze kinderen niet bezig, in tegenstelling tot vele volwassenen die per se het IQ van het kind willen kennen. Deze kinderen streven ook niet naar een uitstekend schoolrapport, maar wel naar diepe “inzichten”; zij streven er niet naar om “ontdekt” te worden als bijzonder fenomeen, maar willen zelf ontdekken hoe de vork precies aan de steel zit; zij beperken zich niet tot de leerstof die op school aan bod komt, maar hebben vaak een diepgaande kennis over alles wat binnen hun interesseveld ligt; zij zijn doorgaans niet volgzaam, maar zoeken eigen oplossingsmethodes (metacognitie); zij hebben een grote weerstand tegen herhaling en van buiten leren, maar onthouden door eigen structuren aan te brengen in de leerstof; zij hebben een sterk geheugen en een zeer efficiënte stockering in het geheugen; zij beschikken over een rijke fantasie waardoor zij heel veel kenniselementen met elkaar verbinden (webben) enz.

Al deze bijzondere kenmerken geven aan dat hoogbegaafde leerlingen nood hebben aan meer individuele begeleiding. Hierbij probeert de volwassene de momentane noden van het kind te lezen, zonder al te sturend en al te directief op te treden.

Veel hoogbegaafde kinderen vertonen bijzondere, gevoelige periodes, waarin zij buitengewoon ontvankelijk zijn voor bepaalde kennisgebieden en op deze terreinen zeer vlot en efficiënt bijleren. Kinderen die deze leersprongen actief verwerken, leggen een bijzondere basis voor mogelijke innovatieve productie later.
Daarbij kan de volwassene (mentor) een cruciale rol spelen.
Actieve verwerking van de leerwinst opgedaan tijdens een gevoelige periode kan gebeuren via de redactie van eigen teksten, door een voordracht te geven voor de klas, door een uitgebreide documentatiemap aan te leggen voor de klas- of schoolbibliotheek, door aan te sluiten bij een sterrenwacht, een jeugdvereniging voor archeologie … , door te publiceren op een jeugdwebsite, door lid te worden van een wetenschappelijke vereniging voor jongeren (nationaal, internationaal), enz.

De volwassene (mentor)  kan op al deze terreinen bijzondere hulp bieden, vooral omdat veel hoogbegaafde kinderen nogal eens zwakke executieve functies hebben. Zij missen vaak de “drive” om schitterende ideeën om te zetten in afgewerkte producten of zijn onhandig bij de praktische realisatie van hun ideeën (2). Steun van een mentor kan dan van onschatbare waarde zijn.

 

                                                                    Carl D’hondt & Hilde Van Rossen - 13 november ‘21                                                                                                       

Voetnoten

(1) dissynchroniciteit betekent dat de verschillende ontwikkelingslijnen binnen  een kind niet gelijkmatig verlopen (niet synchroon verlopen). Bij hoogbegaafde kinderen loopt de cognitieve ontwikkeling ver voorop op de lichamelijke, motorische, sociale, emotionele …ontwikkeling.

(2)   Wij illustreren dit met een eenvoudig voorbeeld voor wiskundig getalenteerde leerlingen van 10 à 11 jaar oud.

Bij sommige oefeningen in logisch denken of wiskundige vraagstukken wordt de oplossing best in een rooster aangebracht. Veel hoogbegaafde leerlingen zijn  zeer slordig bij het opmaken van zo’n rooster, zodat zij veel tijd verliezen of slordigheidsfouten maken.

Voorbeeld van zo’n vraagstuk:

Tom (de grootste) is ouder dan Michiel (de lichtste). Jeroen (de oudste) is kleiner dan Nick (de zwaarste). Niemand heeft dezelfde rang in de 3 categorieën.

Als iemand bijv. de 2de grootste is, kan hij niet de 2de zwaarste zijn of de 2de oudste.
Geef de volgorde van de vier jongens in elke categorie: leeftijd, grootte, gewicht.

Oplossing:

             grootte             leeftijd             gewicht

  1          Tom                 Jeroen             Nick

  2          Michiel             Tom                 Jeroen

  3          Nick                  Michiel            Tom

  4          Jeroen              Nick                 Michiel

Bespreking:

Minder goede werkwijzen zijn:

  • gebruik van afkortingen ( bijv.  gr, lft, ge  i.p.v. grootte, leeftijd, gewicht );

als men afkortingen gebruikt, moet men telkens gr  en ge  omdenken tot grootte en gewicht (= onnodige complicatie).

  • de cijfers

hier moet de leerling zich goed realiseren dat 1 meest betekent en 4 minst;

1 is dus de meest grote, de meeste leeftijd hebbende, het meeste gewicht.

Het werken met cijfers kan verwarrend overkomen omdat het cijfer 1 een lager getal is dan het cijfer 4 en dus suggereert dat 1 minst zou betekenen en 4 meest.
De volwassene kan hier helpen door de leerling het onderscheid te leren tussen een getal als hoeveelheid en een getal als rang.
In dit voorbeeld geven de cijfers een rang aan, nl. 1ste, 2de, 3de, 4de . Door te wijzen op de rang wordt iedere twijfel weggenomen.

De beste werkwijze lijkt ons om in de linker kolom direct cijfers in rangorde te plaatsen (1ste, 2de enz. i.p.v. de cijfers 1 tot 4 die er nu staan).

Meestal zullen leerlingen met talent voor wiskunde zelf het belang van noteren volgens rangorde ontdekken. Wat een leerling zelf ontdekt, blijft nadien veel krachtiger doorwerken. Op deze wijze “stuurt” de volwassene op een discrete manier het leerproces van de leerling, een werkwijze die zo belangrijk is bij hoogbegaafde leerlingen.

  • zodra er tijdens het oplossen 2 of meer fouten voorkomen in het rooster, is

het beter om opnieuw te beginnen en een nieuw rooster te maken, zodat men niet kan afgeleid worden door de reeds aangebrachte verbeteringen.

  • …  

Al deze quasi evidente tips kunnen bepaalde hoogbegaafde leerlingen enorm helpen om hun praktische intelligentie beter te ontwikkelen. Praktische intelligentie omvat deze cognitieve functies die instaan voor de praktische toepassing van kennis, zoals plannen, timen, prioriteiten stellen, monitoren, concentratie, tussentijds evalueren en bijsturen …